De zwanen op de reien

In de buurt van de Groenplaats ( wat vroeger een kerkhof was) woonde eens een juffer wier faam, evenzeer als die van het kerkhof, te wenschen liet.
Zij had, zegde men, vier vrijers te gelijk, en zoude er geen bezwaar in gevonden hebben er nog een paar bij te nemen.

Op zekeren dag ontving die juffer of dame het bezoek van een schoon, rijk gekleed heerschap.
Hij kwam naar haar met een eenvoudig voorstel : hare vier vrijers voor een vijfde, te bedriegen. Zij stemde gereedelijk in het voorstel toe en volgde hem.
Het heerschap was een uit zendeling, een handlanger van den Lange Wapper. De vrouw was nog maar net het huis uit of de Wapper,was al in het huis. Hij had het wezen, de houding, de kleeding, geheel het uiterlijk der lichtekooi aangenomen en wachtte de vier vrijers af, aan wie zij voor dien avond, op verschillende uren, wel te verstaan, eene samenkomst beloofd had.

Het werd avond. De eerste vrijer kwam. De Wapper speelde zijne rol meesterlijk, en de bezoeker vermoedde geen onraad.
De vrijer sprak van zijne onwankelbare liefde en van de offers, welke hij in staat zoude wezen haar te brengen.
Voor geene gevaren zoude hij teruggedeinsd zijn, om de juffer van den ernst zijner genegenheid te overtuigen. Zijt gij bereid mij in alles te gehoorzamen?”
De gewaande dame ging voort: “Wij zullen zien. Begeef u naar O.L. Vrouwenkerkhof, klim op het kruis en blijf er twee uren zitten. Ik zelve zal u komen ver lossen.”
De vrijer kloeg, dat zij te weinig eischte. Het was te eenvoudig, te gemakkelijk, te bespottelijk… Hij durfde niet bekennen, dat hij bang was. De eerste vrijer vertrok met een bang hart naar het kerkhof en voerde zijn belofte uit.

Een kwaart uurs later bood de tweede vrijer zich aan. Er had eene herhaling plaats van het vorige tooneel.
De dame sprak: “Ga naar O.L. Vrouwenkerkhof. Gij zult u aan den voet van het kruis in eene doodkist nederleggen. Indien gij het twee uren kunt volhouden, zal ikzelve u komen bevrijden.”
Hij snelde henen;

De derde vrijer trad binnen. “Ik zal u beminnen,” zei de duivel, “indien gij mij een bewijs wilt geven van de oprechtheid uwer gevoelens en van uwe gehoorzaamheid aan den minsten mijner wenschen.” “Spreek! Wat verlangt gij?” “Dat gij u naar O.L. Vrouwenkerkhof begevet. Aan den voet van het kruis staat eene doodkist. Gij zult er drie malen op kloppen,en wachten tot ik u kom halen.”
De roekeloze verliet onmiddellijk de woning, om het bevel des duivels uit te voeren.

Hij was nauwelijks de deur uit, als de vierde vrijer op zijne beurt der gewaande dame zijn bezoek bracht. Wilt gij een gevaar voor mij trotseeren?”vroeg de dame aan de vierde. “Neem eene ketting, ga naar O.L. Vrouwen kerkhof en loop drie- malen rond het kruis, de ketting na u sleepende.”
De vierde ging zich bij de drie eerste vervoegen.

De Wapper verdween.Een half uur later kwam de dame ditmaal in persoon , terug van haar vijfden vrijer. Nog had zij den tijd niet gehad aan de teleurstelling der vier vrijers te denken, die, meende zij, niemand in haar huis gevonden hadden, als reeds de vierde in haar vertrek stormde. Eene doodelijke bleekheid bedekte zijn gelaat; zijn wezen was krampachtigvertrokken.
Hij scheen zinneloos van schrik. Geen wonder Op het kerkhof had hij drie lijken gevonden! De eerste vrijer was van het kruis dood gevallen, op het oogenblik dat de tweede in de doodkist ging liggen; deze was van angst gestorven, toen de derde driemaal op de kist klopte; en die laatste was onder zijn ontroernis bezweken, terwijl de vierde met de slepende ketting rond het kruis liep.

Het relaas van dit ijselijke drama trof de dame zoo geweldig, dat zij door eene plotselinge beroerte werd overvallen, ineenzakte en den laatsten adem uitblies.

De vierde vrijer werd inderdaad zinneloos, sprong des anderendaags in de Schelde en verdronk.