Sint-Pieter op de kermis

Sint-Pieter had dat jaar aan Onze Lieve Heer verlof gevraagd om naar de kermis van Putte te gaan en hij had vier dagen gekregen. De woensdagavond moest hij terug op zijn post zijn. Blij als een kermisvogel was Sint-Pieter opgetrokken, want sinds lange jaren had hij door de boeren uit de Polders en uit de Kempen van de Putse kermis horen spreken. En waarlijk, het viel Sint-Pieter erg mee. Nog nooit had hij zich zo kostelijk vermaakt.

Op woensdag dacht hij bij zichzelf: “Ik zal er nog een dag bijboeken, het is morgen nog kermis”.

En de donderdagavond meende hij weer:

“Ik zal maar blijven tot zondag, dat is het staartje van de kermis. Onze Lieve Heer zal er toch niets van zeggen.”

Toen Sint-Pieter de maandagmorgen in de hemel aankwam, was Onze Lieve Heer juist aan het overleggen wie hij tot opvolger van Sint-Pieter zou aanstellen. 

“Ha, Pieter, ge zijt daar dan toch terug. Ik verwachtte u niet meer”, zei Onze Lieve Heer.

“Verontschuldig mij, Meester, verontschuldig mij, ik heb mij toch zo verschrikkelijk goed vermaakt, dat ik zo vrij ben geweest er enkele dagen bij te doen. Het was er toch zo plezierig, dat ik volgend jaar weerkeer. Maar dan zal ik acht dagen vragen.”

Onze Lieve Heer fronste veelbeduidend de wenkbrauwen en vroeg:”En wat hebben de polderboeren van mij gezegd, Pieter?”

“Niemand heeft van u gesproken, Meester.” Onze Lieve Heer zei niets meer.

Het jaar daarop, toen de kermis van Putte aanbrak, reisde Sint-Pieter van ’s zaterdags af, maar ’s zondags voor de avond stond hij met pak en zak in de hemel terug.

“Welnu, Pieter, wat is er,” vroeg Onze Lieve Heer, “zo gauw terug?”

“Och, Meester, gelijk ik te Putte op de kermis aankwam, wist ik niet wat er gaande was. Geen mens te zien. Ik ging hier en daar een herberg binnen en ik ondervroeg de mensen. Toen begreep ik alles. In de Polder was er een overstroming , de dijken doorgespoeld en de oogst vernield. In de Kempen was het nog erger. Regen en nog eens regen. Alles op de velden verrot en vernield. Het was al van:” och Heer en och God, wat ik hoorde.”

” Zo zijn nu de mensen, Pieter,” antwoordde Onze Heer, “in weelde en welstand vernoemen ze niet eens mijn naam, maar als armoede en tegenslag komen, dan kunnen ze mij niet genoeg aanroepen en om hulp smeken.

code: 6666