
Manneke pis

Er was eens een lelijke boze heks.
Die toverheks was heel oud en bewoonde sedert lange tijd een huisje, gelegen op de hoek van de Eikstraat en van de Stoofstraat of Stoefstraete, zo geheten omdat reeds in 1212 en wellicht zelfs vroeger, er daar een stove of openbare gelegenheid was.
Dat slechte wijf had al kwaad berokkend en bijna al haar buren, vreesden haar als de pest. Ze was vuil en in lompen gekleed en verliet haar woning alleen bij avond. Wat ging ze dan doen, zo helemaal op haar eentje? Niemand wist het en niemand ook trachtte het te weten te komen. De kindertjes verborgen hun hoofd in de rokken van hun moeder als de feeks voorbijkwam, mompelend en gebogen. Er was toen ook een brave grijsaard. Die goede oude man was door iedereen zo geliefd, als de heks gevreesd werd.
Hij deed veel voor de armen en hem te zien maakte de mensen gelukkig. Van hem waren de kleinen niet bang.
Nu gebeurde het op een dag dat een knaapje, dat langs de Stoofstraat liep, opeens bleef staan en zonder acht te geven aan de plaats waar hij zich bevond, aan een dringende maar heel natuurlijke kleine behoefte voldeed… tegen de deur van de heks. Zo’n incidentje zag men wel meer.
Maar de heks, die waarschijnlijk het plassen had gehoord, kwam naar buiten en toen ze de kleine zag, die zich net had ontlast, vervloekte zij hem en riep woedend:
“Jij hebt mijn woning onteerd door je onbeschaamde manier van doen. Ik veroordeel je bijgevolg om hetzelfde te blijven doen in de loop van de komende eeuwen.
Meteen klapte ze haar deur dicht en ging weer naar binnen.
Ja, het was een boos wijf, daarmee zal elkeen het wel eens zijn. Het knaapje verdiende zo’n zware straf niet. En wat gebeurde er? De brave oude man verscheen plotseling met in de armen een stenen beeldje, dat hij op de plaats zette van het jongetje, meteen werd de vloek opgeheven en de grijsaard bracht zijn vriendje veilig naar zijn ouders terug.
Het was de lentemaand van 1482. De landsvrouwe Maria van Bourgondië kwam op bezoek in haar geliefde Brugge om er haar favoriete hobby te beoefenen, de valkenjacht. Maar haar paard struikelde tijdens de jacht, ze viel en stierf. Haar echtgenoot Maximiliaan van Oostenrijk die gealarmeerd was door dit ongeval spoedde zich in aller ijl naar Brugge. Maria werd begraven en voor Maximiliaan begon een nieuwe en harde tijd.
Zolang Maria leefde maakten de Bruggelingen vuisten in hun zakken. Maar nu is Maximiliaan de zondebok. Brugge wil namelijk net als het jonge Antwerpen dezelfde stadsvoorrechten. Toen Maximiliaan dit weigerde, werd hij opgesloten in het huis Craenenburg op de Markt.
Pieter Lanchals, de schout, baljuw en raadsheer van Maximiliaan van Oostenrijk, veroordeelde dit Brugse optreden. Maar de Bruggelingen pikten dit niet. Lanchals en andere edellieden werden gefolterd en onthoofd terwijl Maximiliaan het hele tafereel kon volgen vanuit zijn cel. Lanchals zijn hoofd werd op een piek op de Gentpoort geplaatst. Maximiliaan zon op wraak. Hij gaf Brugge haar voorrechten en werd vrijgelaten.
Maar hij keerde terug, maar niet alleen. Hij bracht een heel leger met zich mee. De soldaten mochten plunderen zoveel ze wilden. En als herinnering moest de stad Brugge tijdens zijn verdere bestaan “langhalzen” op de Reien laten leven. Deze langhalzen zijn de witte zwanen.
