
Het duivelskasteel

Het was een sombere winternacht. Satan zwierf door de bossen en over de rotsen van de Deister. Hij hoopte er enkele slachtoffers te vinden om hem in het verderf te kunnen storten.
Het was Kerstnacht. Plotseling begonnen alle klokken te luiden om de gelovigen voor het gebed op te roepen en de geboortedag van Jezus Christus te vieren. De vrolijke zang van de klokken steeg van alle kanten op: van de parochie Ortho, de dorpen rondom Hives, van de hoogten van Cielle, Marcourt en Beffe.
Het klokkengeluid joeg de duivel naar de donkere wouden, in de omgeving van de “Val de Perreux”. Maar de kerstklokken beten zich aan hem vast. Toen bouwde Satan in één oogwenk een reusachtige burcht. Nog nooit had men zo’n bouwwerk gezien tot in het Heilige Duitse Keizerrijk.
De enorme torens reikten tot in de hemel. De zeer dikke muren waren opgetrokken met geweldige blokken zandsteen, afkomstig uit de berg.
Om zich te wreken ontstak Satan een groot vreugdevuur op de binnenplaats.
Met een troep demonen bracht hij een wilde dans ten tonele, op de tonen van een vreemd orkest. Uilen en raven bespeelden de contrabas, weerwolven tokkelden op gitaren en raven sloegen op de trom. Dwaallichtjes verspreiden een bleek, dof schijnsel en gaven het bouwwerk een duivels uitzicht.
Tijdens deze Kerstnacht hoorden de inwoners van La Roche, Cielle, Bérismenil, Ortho en het ganse graafschap van La Roche, het vreemde geluid en zagen het geheimzinnig schijnsel.
Zij baden tot het kindje Jezus in de kribbe. Toen barstte God in zijn toorn uit tegen Satan, die deze vredige Kerstnacht stoorde met zijn hels lawaai. God wierp bliksemschichten op het Duivelskasteel dat terstond vernield werd. De muren wankelden en stortten als een kaartenhuisje in elkaar. De rotsblokken rolden naar beneden en bleven op de helling liggen als een sprekende getuigenis van de kracht van God. Zo werd op Kerstnacht het Duivelskasteel aan de Val de Pierreux vernield.
