Het Duivelsbed

“Een molenaar die langs de Aisne woonde zag het niet meer zitten.  De boeren hadden goed geboerd, ze hadden hun zware zakken vol graan gebracht.  Dat graan moest worden gemalen, de bakkers wachtten op het gemalen graan.  Maar, er was niet genoeg water in de rivier.  Hij kon zijn molen niet doen draaien. Hij was ten einde raad. Satan op zoek naar nieuwe zieltjes had de wanhopige kreten van de arme molenaar gehoord.  De duivel benaderde de molenaar en beloofde in één nacht een dijk aan te leggen zodat een smal kanaal al het water naar het waterrad zou leiden. Maar… de duivel wou wel iets in ruil : als de dijk zoals beloofd effectief de volgende morgen af zou zijn, zou de duivel in ruil de ziel van de molenaar krijgen. De molenaar die dringend moest beginnen te malen – de graanzakken stapelden zich op – was tot alles bereid als zijn waterrad maar draaide, en aanvaardde de overeenkomst. De molenaarsvrouw wou haar man niet kwijt en bedacht een plannetje. 

De volgende morgen was de dijk inderdaad af en draaide het waterrad op volle toeren. Bij het kraaien van de haan riep de duivel de molenaar bij zich om de rekening te vereffenen. Maar… het was de hond van de molenaar die naar de duivel liep, van de molenaar zelf was geen spoor. Zodra de duivel doorhad dat hij bedrogen was, barstte hij in woede uit, verwoestte hij in enkele seconden zijn nachtelijk werk, en liep het bos in. Razend en uitgeput bereikte hij een platte steen met een hoofdsteun. Hier ging hij op liggen, hij moest dringend op krachten komen na de zware arbeid van die nacht. Sindsdien wordt deze steen het Duivelsbed genoemd. De overblijfselen van de duivelse dijk zijn nog steeds te zien in de rivier bij Roche-à-Frène.”