Pier ( regenworm)

Volgens de overlevering stond de zandgrond van “Mager Halle” gekend als weinig vruchtbaar en er leefden nagenoeg geen regenwormen of pieren in.
Tot een pastoor van het dorp tot zijn eigen grote verbazing er ooit toch een pier aantrof.
Hij ketende het diertje gelijk aan de notenboom in de pastorie waar de pier tot op vandaag verblijft.

De spotnaam voor de Hallenaars werd vanaf toen de “pieren”.

Het Pierenlied

Sa vrienden, luistert naar mijn lied,
Wat in dit dorp eens is geschied.
Het was een wonderlijk geval,
Dat met die Pier van Magerhal.
In Hal, van uren in het rond,
vindt men den schraalsten, droogsten grond.
Nooit kroop daar ooit een pier in ’t gras.
Een pier, men wist niet wat het was! 
Maar op een morgen, Suske Wiet
zo’n beestje op zijn akker ziet.
Het was een pier van avontuur,
hij had gekropen menig uur! 
Ons Suske slaat een grote kreet,
tot vluchten staat hij al gereed.
Maar Neel van Does die houdt hem staan,
Die staart het monster moedig aan. 
Vriend Sus, sla toch niet op de vlucht!
Wees voor dat diertje niet beducht!
Een leeuw, een tijger kan ’t niet zijn.
Daarvoor is ’t immers veel te klein. 
En nu verscheen de Garde-chasse,
Ook hij wist niet welk dier het was.
Geen ever was het en geen vos,
Misschien een bever of een os? 
Het diertje werd naar ’t dorp gevoerd,
En aan een stenen paal gesnoerd.
Er werd dan lang en fel getwist,
Maar wat het was, geen één die ’t wist. 
Meneer pastoor bekende vrij,
dat beest dat is iets nieuws voor mij.
Misschien een draak ofwel een slang,
dat God bescherm ons, wees niet bang! 
Maar de sjampetter Lantervant,
had een gevangene bij de hand:
Ge wordt bevrijd door het gerecht,
als gij de naam van ‘t beestje zegt. 
De vreemde krabt eens in zijn kuif,
een ezel of een tortelduif.
Dan snelt hij weg gelijk een haas,
en d’anderen staan dan even dwaas. 
De pier lag daar in de zon,
hij snakte tot hij niet meer kon.
Hij beet in ’t zand, hij gaf de geest,
de Pier van Hal was er geweest. 
Een polderboer verscheen te paard,
toen ’t arme dier lag boven d’aard.
Wel vrienden lief, wat droef geval,
de enige pier van Magerhal. 
Maar treur toch niet, ga met mij mee,
bij mij krioelt het van dat vee.
Gij polderboer vergroot ons smart,
die pier ligt ons nauw aan ’t hart. 
Hij was de eerste van zijn soort,
die ’t vette liet voor ’t magere oord.
Die pier, die houden wij in eer,
vergeten doen wij hem nimmer meer. 
Nog steeds heeft Hal zijn pierenpaal
tot staving van dit pierverhaal.
‘t Is zo, ’t is waar, ’t is echt geschied,
daarom dichtte ik dit Pierenlied.